Ontwerptekst Interprofessioneel Akkoord
Ons land staat voor belangrijke uitdagingen. Denken we maar aan de vergrijzing van de bevolking, de sociale bescherming, de financiering en toekomst van de sociale zekerheid en in het bijzonder de toegang tot degelijke gezondheidszorg, een betere afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt waardoor de werkloosheid gevoelig kan afnemen, een goede combinatie gezin-arbeid, een versterking van de concurrentiekracht van de ondernemingen.
voor de periode van
1 januari 2005 tot 31 december 2006
18 januari 2005
I. Inleiding
Ons land staat voor belangrijke uitdagingen. Denken we maar aan de vergrijzing van de bevolking, de sociale bescherming, de financiering en toekomst van de sociale zekerheid en in het bijzonder de toegang tot degelijke gezondheidszorg, een betere afstemming tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt waardoor de werkloosheid gevoelig kan afnemen, een goede combinatie gezin-arbeid, een versterking van de concurrentiekracht van de ondernemingen.
De concrete afspraken voor het Interprofessioneel Akkoord 2005-2006 (cfr. deel II.) kaderen in een meer globale visie. De concrete invulling van deze visie moet ertoe leiden dat ons land tegen 2010 klaar staat om op een afdoende wijze het hoofd te kunnen bieden aan bovengenoemde uitdagingen.
De globale visie die aan dit Interprofessioneel Akkoord ten grondslag ligt, stoelt op volgende uitgangspunten :
1. Competitieve ondernemingen
Competitieve ondernemingen zijn belangrijk voor onze welvaart en voor de bevordering van de werkgelegenheid.
De sociale partners stellen echter vast dat de concurrentiekracht van de ondernemingen beïnvloed wordt door een reeks factoren zoals de evolutie van de loonkosten, de energiekosten, de kosten van grondstoffen, de kapitaalkosten en de transportkosten. Daarnaast wordt innovatiekracht van de ondernemingen samen met een beleid ter ondersteuning van O&O een steeds belangrijker concurrentiefactor. Daarom willen ze de aanpak van de kostenconcurrentie aanvullen met een offensieve aanpak gericht op innovatie en kwaliteit.
2. Sociale zekerheid
De sociale partners engageren zich eveneens om deel te nemen aan een constructief debat over alle aspecten van de sociale zekerheid, zowel langs de kant van de uitgaven als de inkomsten, teneinde in de toekomst aan iedereen een kwaliteitsvolle sociale bescherming te garanderen. Deze sociale bescherming dient aangepast te zijn aan de veroudering van de bevolking en moet werkgelegenheidsvriendelijk zijn.
3. Eindeloopbaan
Een constructief debat omtrent het einde van de loopbaan met de federale Regering, zodat de activiteitsgraad in het algemeen wordt opgekrikt en de arbeidsvoorwaarden verbeterd en dus de sociale zekerheid beter kan worden gevrijwaard.
4. Arbeiders - bedienden
De toenadering tussen het arbeiders- en het bediendenstatuut zal op termijn tot een nieuw gemeenschappelijk statuut moeten leiden in het kader van een nieuw globaal evenwicht.
De sociale partners zijn het best geplaatst om dit op een passende wijze te laten verlopen met maatregelen die in principe op de toekomst zullen slaan. Zij zullen zich daarbij laten bijstaan door een door de sociale partners paritair samengestelde commissie o.l.v. een onafhankelijke voorzitter (+ secretariaat) die tegen eind 2005 een verslag m.b.t. een nieuw statuut zal uitwerken.
5. Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen.
De interprofessionele sociale partners roepen beleidsverantwoordelijken en sectoren op tot een reflectie over deze thema’s en desgevallend tot het nemen van gepaste initiatieven.
II. Interprofessioneel akkoord 2005-2006
1. Loonnorm
Overeenkomstig de wet van 26 juli 1996 en zich baserend op het verslag van de CRB van 2 november 2004 komen de sociale partners overeen dat de indicatieve loonnorm voor 2005-2006 4,5% bedraagt.
De sociale partners doen een oproep aan de sectoren en aan alle werkgevers en werknemers om een gematigde evolutie van de lonen te onderhandelen, in solidariteit met die werknemers die hun job bedreigd zien en met de werkzoekenden.
Zij nodigen de werkgevers en werknemers van de sectoren en ondernemingen die onderworpen zijn aan de internationale concurrentie uit om over het loonluik van onderhavig akkoord met zin voor verantwoordelijkheid te onderhandelen.
2. Aanmoediging van innovatie en O&O
België heeft zich ingeschreven in de Lissabon-doelstelling om tegen 2010 een globaal O&O investeringsniveau te bereiken van 3% van het BBP (2% privé-sector, 1% overheid).
In dit kader roepen zij de ondernemingen, de sectoren, de federale staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de universiteiten en hogescholen, de onderzoekscentra op tot extra inspanningen in onderzoek en ontwikkeling.
Teneinde ons land alle kansen te geven om de vooropgestelde doelstellingen te halen en rekening houdend met het feit dat er voor O&O activiteiten ook meer en meer concurrentie ontstaat, zijn de sociale partners het volgende overeengekomen:
a. de sociale partners roepen de regering op om zo snel als mogelijk over te gaan tot de integrale uitvoering van de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie inzake de aanmoediging van O&O.
b. Vrijstelling van innovatiepremies: Innovatiedynamiek en -cultuur dienen binnen de ondernemingen aangemoedigd te worden in samenwerking met de overheid.
Om de bedrijven daartoe krachtdadig aan te moedigen, vragen de sociale partners de regering om, in nauw overleg met hen, onverwijld een wetgevend initiatief te nemen om deze dynamiek aan te moedigen, zoals gespecificeerd in bijlage 1.
c. Met het oog op de uitdagingen waarvan sprake in de inleiding komen de sociale partners volgende modaliteiten overeen :
- De CRB zal binnen de twee maanden een inventaris maken van de sectorale inspanningen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling, van het al dan niet bestaan van collectieve onderzoekscentra alsook van hun opdrachten en financiering;
- alle sectoren zullen tegen midden 2006 een verslag opmaken over de inspanningen die in de sector gebeuren op het vlak van O&O, alsook over de problemen die de bedrijven in de sector op dat vlak ontmoeten;
- op basis van deze inventaris en verslagen zal de CRB tegen september 2006, in zijn technisch rapport, een afzonderlijk hoofdstuk invoegen m.b.t. de inspanningen inzake innovatie en O&O in ons land.
3. Vorming en opleiding
De sociale partners herbevestigen de afspraken die n.a.v. de Werkgelegenheidsconferentie van oktober 2003 inzake vorming werden gemaakt. Ze zijn intussen reeds gestart met het ontwikkelen van een instrument voor het meten van de opleidingsinspanningen. Bovendien vragen zij met aandrang dat de sectoren tijdens de komende sectorale onderhandelingen de in de Werkgelegenheidsconferentie afgesproken maatregelen m.b.t. vorming zouden agenderen. Zij denken hierbij o.m. aan de planmatige aanpak van vorming, de problemen tot invulling van knelpuntberoepen, enz. met het oog op het bereiken van concrete resultaten.
4. Arbeidsorganisatie - overuren
De sociale gesprekspartners bevelen de sectoren aan de problematiek van de overuren op de komende onderhandelingsagenda te plaatsen, in het kader van de arbeidsorganisatie.
Ze stellen voor volgende wijzigingen aan te brengen aan de Arbeidswet van 16 maart 1971:
B1. In artikel 29 voorzien dat op jaarbasis 65 overuren, gepresteerd in het kader van een buitengewone vermeerdering van werk ( artikel 25) of van werkzaamheden ingevolge een onvoorziene noodzakelijkheid ( artikel 26§1, 3°), naar keuze van de werknemer kunnen worden gerecupereerd of uitbetaald . In geval van uitbetaling worden die arbeidsuren niet meegerekend als arbeidsuren voor de na te leven arbeidsduur( artikel 26bis §1, zesde lid )
B2. In artikel 29 voorzien dat, conform de procedure onder punt C, die zal worden gedefinieerd in een binnen de NAR gesloten CAO, naar keuze van de werknemer kan worden geopteerd voor uitbetaling van overuren die zijn gepresteerd in het kader van een buitengewone vermeerdering van werk (artikel 25 ) of van werkzaamheden ingevolge een onvoorziene noodzakelijkheid ( artikel 26 §1,3°) , en dit voor maximum 65 bijkomende uren bovenop het aantal uren voorzien in B1, en dit tot een totaal van maximum 130 uren per jaar. In geval van uitbetaling worden die arbeidsuren niet meegerekend als arbeidsuren voor de na te leven arbeidsduur( artikel 26bis §1er, zesde lid ).
B3. De interne 65-urengrens ( zoals bedoeld in artikel 26bis paragraaf 1 lid 8 van deze wet) kan op 130 uur worden gebracht, conform de procedure onder punt C.
Ze verbinden er zich toe op het vlak van de Nationale Arbeidsraad een CAO te sluiten om volgende procedurebeginselen uit te werken:
Cascadesysteem:
- Op sectoraal vlak kunnen de sociale gesprekspartners:
· ofwel een CAO sluiten die alle modaliteiten vastlegt
· ofwel een CAO sluiten die voorziet in een kader dat de ondernemingen toepassen
· ofwel besluiten het overleg naar ondernemingsniveau door te verwijzen
- Bij ontstentenis van sectoraal akkoord zoals hierboven aangegeven, kan vanaf 1 oktober 2005 een akkoord worden gesloten op ondernemingsniveau:
· bij CAO, met alle organisaties vertegenwoordigd in de vakbondsafvaardiging van de onderneming
· bij ontstentenis van vakbondsafvaardiging, volgens de procedure voor aanpassing van het arbeidsreglement, zoals voorzien in de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
In dat geval wordt het op ondernemingsniveau gesloten ontwerpakkoord ter goedkeuring voorgelegd aan het paritair comité.
De sociale gesprekspartners vragen de wet aan te passen met het oog op inwerkingtreding op 1 maart 2005. Van hun kant zeggen zij toe tegen dezelfde datum een CAO van de Nationale Arbeidsraad in werking te laten treden.
Het wettelijk en conventioneel kader dat uit onderhavig akkoord voortvloeit, doet geen afbreuk aan bestaande akkoorden of aan nieuwe akkoorden op basis van de huidige wettelijke bepalingen.
5. Paritaire comités 100 en 200
De sociale gesprekspartners verbinden er zich toe, elk van hun kant, de nodige schikkingen te treffen om PC 100 en PC 200 op 1 maart 2005 te doen werken.
6. Aanmoediging werkgelegenheid
De sociale partners hebben nota genomen van de wil van de regering om de lasten op arbeid te verlagen ter promotie van het economisch weefsel. De werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers zijn tot het besluit gekomen dat het bereiken van dit Interprofessioneel Akkoord slechts mogelijk is voor zover aan het volgende voldaan wordt :
1) Werkloosheidsvallen – lage lonen
De sociale partners vragen aan de regering om de 40 miljoen Euro waarin voor de werknemers in het kader van het IPA is voorzien, aan een voluntaristische actie tot verhoging van de laagste nettolonen te besteden en de overeenstemmende financiering voor de sociale zekerheid te voorzien, in overleg met hen.
2) Overuren
De sociale partners vragen de regering om de kosten van de eerste 65 overuren per werknemer en per jaar te verminderen door middel van een via de fiscaliteit toe te passen mechanisme.
Het voordeel zal verdeeld worden in gelijke delen tussen de werknemer en de werkgever voor elk van deze gepresteerde overuren. Het voordeel is voor elk van de beide partijen gelijk aan de uitkomst van de volgende berekening: 16,5 % berekend op alle loonbestanddelen die met het overuur verband houden (basisloon en overurentoeslag).
De sociale partners vragen om betrokken te worden bij de uitwerking van het mechanisme dat deze vermindering invoert.
Via een transparant monitoringsysteem moet het mogelijk worden het globale begrotingsdoel te bereiken, rekening houdend, onder andere, met de terugverdieneffecten, inzonderheid voor de sociale zekerheid.
3) Ploegenarbeid
De vrijstelling van doorstorting van de voorheffing ten belope van 1% van de loonmassa wordt verhoogd tot 2,5%.
Ten aanzien van deze lastenverlaging herbevestigen de sociale partners hun engagement van de werkgelegenheidsconferentie van oktober 2003, m.n. dat deze lastenverlagingen dienen om de competitiviteit van de bedrijven op een duurzame wijze te versterken ten opzichte van onze handelspartners en om de positie van sommige doelgroepen op de arbeidsmarkt op een duurzame wijze te verbeteren.
7. Fonds voor Sluiting
De sociale partners hebben nota genomen van de wil van de regering om een enveloppe van 7 mio Euro op recurrente basis vrij te maken, om het toepassingsgebied van de reglementering betreffende het fonds voor sluiting van de ondernemingen vanaf 1 maart 2005 uit te breiden ten voordele van werknemers die het slachtoffer zijn van een faling voor de ondernemingen tussen 10 en 20 werknemers, en dit via een wijziging van artikel 10 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, op voorstel van de sociale partners.
Zij verbinden er zich toe om het toepassingsgebied uit te breiden met ingang van 1 maart 2006 ten gunste van werknemers slachtoffer van een faling in ondernemingen met 5 tot 10 werknemers, na evaluatie door de sociale partners van de impact van een dergelijke maatregel op de financiële situatie van het fonds.
De verruimingen van dit toepassingsgebied vanaf 1 maart 2005 en 1 maart 2006 mogen onder geen enkel beding een rechtstreekse of onrechtstreekse lastenverhoging meebrengen voor de ondernemingen in het algemeen noch voor de ondernemingen die tot het verruimde toepassingsgebied behoren.
De sociale partners zijn eveneens bereid de maand- en jaarplafonds aan te passen, rekening houdend met volgende elementen :
- de bijdragevoeten worden in 2006 op het niveau van 2005 behouden;
- de imputatie van de eventuele verwachte meerkost van de inwerkingtreding van de wet van 2002.
De sociale partners zullen tegen einde 2005 hieromtrent een beslissing nemen.
8. Aandacht voor mindervaliden
De sociale partners hebben nota genomen van de wil van de regering om een budget van 5 mio Euro voorzien om de toegang tot arbeid voor mindervaliden te verbeteren.
De sociale partners vragen de Regering om met deze 5 mio Euro een speciaal fonds te financieren dat paritair beheerd wordt door de sociale partners, vertegenwoordigers van de Regering en vertegenwoordigers van gehandicaptenverenigingen. Het doel is mensen met een handicap aan het werk te houden of aan het werk te helpen door het financieren van de aanpassing van de werkplek en/of de opleiding van werknemers met een handicap en/of van hun collega’s, zonder daarbij de regionale bevoegdheden in deze materie te doorkruisen.
9. Ervaringsfonds
De sociale partners vragen om in het KB ter uitvoering van de nieuwe bepalingen van het Ervaringsfonds de mogelijkheid op te nemen om voor oudere werknemers die van een regime van nachtploegenwerk overstappen op dagwerk, conform CAO 46 van de NAR, te voorzien in een geldelijke tussenkomst volgens de modaliteiten te bepalen door de sociale partners.
10. Meer rechtszekerheid
Het unaniem NAR-advies nr. 1.459 van 16 maart 2004 waarbij in uitvoering van het IPA 2001-2002 de verjaringstermijnen bij de RSZ van 5 naar 3 jaar worden teruggebracht, wordt ten laatste tegen 1 april 2005 in effectieve reglementering omgezet.
11. Verlenging van bestaande engagementen
a. Brugpensioen
De sociale partners wensen uitdrukkelijk dat de einde loopbaanconferentie in het voorjaar 2005 tot duidelijke conclusies komt.
Om dit debat in een serene sfeer te laten verlopen, vragen de sociale partners aan de regering de mogelijkheid om voor de looptijd van het IPA sector-CAO’s af te sluiten :
- om met voltijds brugpensioen te gaan vanaf 56 jaar, enerzijds voor werknemers met een loopbaan van 33 jaar die 20 jaar gewerkt hebben in een arbeidsregime met nachtprestaties en anderzijds voor werknemers in de bouwsector die beschikken over een attest dat hun arbeidsongeschiktheid tot voortzetting van hun beroepsactiviteit bevestigt, afgegeven door de arbeidsgeneesheer ;
- om het halftijds brugpensioen toe te kennen vanaf 55 jaar.
Daardoor blijft in een overgangsperiode van 2 jaar de huidige regeling bestaan, maar ze zal in ieder geval niet meer van toepassing zijn op werknemers die na 31 december 2006 56 jaar worden.
De sociale partners en de federale regering zullen in het voorjaar van 2005 de eindeloopbaanregeling voor de nachtarbeiders en bouwvakkers actualiseren in functie van de conclusies van de eindeloopbaanconferentie, met het oog op een inwerkingtreden vanaf 1 januari 2007.
b. Risicogroepen en begeleidingsplan
De sociale partners zijn het eveneens eens om de 0,10% patronale bijdrage voor risicogroepen en de 0,05% voor de financiering van het begeleidingsplan, te verlengen voor 2 jaar en vragen aan de regering dit te bevestigen.
III. Nauwe opvolging van de gemaakte afspraken
De sociale partners zullen via een scorebord in de schoot van de Nationale Arbeidsraad de uitvoering van dit akkoord nauwgezet opvolgen. Tweemaandelijks zal een uitvoeringsverslag aan de Groep van 10 bezorgd worden.
De sociale partners vragen de regering om in nauw overleg met de sociale partners de nodige reglementaire en wettelijke aanpassingen door te voeren. Opdat de komende maanden sectoren en/of ondernemingen met volledige kennis van zaken hun sociaal overleg zouden kunnen voeren, vragen de sociale partners de regering om alles in het werk te stellen zodat deze aanpassingen uiterlijk binnen een termijn van 2 maanden na de ondertekening van dit akkoord effectief van kracht worden.
Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat bijlage nr 1 integraal deel uitmaakt van dit akkoord en dat ze partijen bindt op dezelfde wijze als het akkoord zelf.
Bijlage 1 : Innovatiepremies
Vrijstelling van innovatiepremies: Innovatiedynamiek en -cultuur dienen binnen de ondernemingen aangemoedigd te worden in samenwerking met de overheid. Medewerkers zowel op de fabrieksvloer als in labo’s, mensen verantwoordelijk voor bedrijfsprocessen, kunnen door hun innovatie en zin voor initiatief in belangrijke mate bijdragen tot de competitiviteit van de ondernemingen.
Om hen daartoe krachtdadig aan te moedigen, zullen de sociale partners de regering vragen, om in nauw overleg met hen, onverwijld een wetgevend initiatief te nemen. Dit initiatief moet toelaten om, bij wijze van experiment voor één jaar, deze dynamiek aan te moedigen door te voorzien in een vrijstelling van personenbelasting en van werkgevers- en werknemersbijdragen in de sociale zekerheid voor premies die uitbetaald worden. Het is daarbij de bedoeling om met dergelijke premies innovaties of innovatievoorstellen door werknemers aan te moedigen op basis van volgende modaliteiten :
- het kan zowel proces- al productinnovatie betreffen
- transparantie door publicatie van de criteria, procedures, namen van ontvangers van premies, bedragen en identificatie van het project ( tenzij dit een competitief nadeel impliceert)
- uitsluitend premies die worden toegekend bovenop, niet i.p.v. vast/variabel loon
- premies kunnen geen recurrent deel van het loon worden
- jaarlijks bedrag aan vrijgestelde premies mag 1% van de loonmassa niet overschrijden
- premies toegekend aan een team voor een enkele innovatie dient beperkt tot 10 personen
- het innovatief karakter dient beoordeeld in de context van de onderneming en rekening te houden met de omvang ervan
- werknemers wiens uitvinding/innovatie resulteert in een octrooiaanvraag, een octrooi of vergelijkbaar industrieel eigendomsrecht kunnen zonder verdere formaliteiten in aanmerking komen voor vrijgestelde premies.
De sociale partners zullen, één jaar na de invoegetreding van dit voorstel, overgaan tot een evaluatie van de impact van deze maatregel, inbegrepen de evaluatie op de openbare financiën in het algemeen, en op het budget van de sociale zekerheid in het bijzonder.
