Tijdskrediet en brugpensioen
Overstappen van een systeem van tijdskrediet naar het brugpensioen is mogelijk maar wordt soms bemoeilijkt door de toepassing van bepaalde regels. Problemen rijzen voornamelijk bij de bepaling van het referteloon voor de berekening van de bijkomende vergoeding die door de werkgever moet worden betaald. Inderdaad, als er niets wordt overeengekomen tussen de partijen dan geldt als refertemaand, de maand die voorafgaat aan de op brugpensioenstelling, wat problematisch kan zijn in geval van vermindering van de arbeidsprestaties.
Talrijke sectoren houden rekening met deze moeilijkheid en hebben bepalingen ingevoerd die hier rekening mee houden bij de berekening van de aanvullende brugpensioenvergoeding. Zo is er onder meer voorzien dat er rekening wordt gehouden met het salaris van de werknemer voor de vermindering van zijn arbeidsprestaties of met een salaris dat omgezet wordt naar een voltijds loon.
Dergelijke regels bestaan bvb. reeds in de PC’s nr. 112 (garages), nr. 115 (glasnijverheid), nr. 118 (voeding), nr. 142.1 (terugwinning metalen), nr. 149.1 (elektriciens), nr. 149.2 (koetswerk), nr. 149.3 (edele metalen), nr. 149.4 (metaalhandel), nr. 209 (bedienden metaal), of nog, nr. 317 (bewaking) en nr. 321 (groothandelaars en verdelers van geneesmiddelen). Men zal op dit punt waakzaam moeten zijn en duidelijke overeenkomsten treffen met de werkgever.
Ingevolge het Generatiepact werd de vereiste anciënniteitsvoorwaarde om met brugpensioen te kunnen gaan sterk omhooggetrokken. Het Interprofessioneel Akkoord 2007-2008 heeft dit in zekere zin wat gecorrigeerd door een betere gelijkstelling te voorzien wat betreft de periodes van tijdskrediet voor de berekening van de beroepsanciënniteit.
