Share/Save/Bookmark

Gender charter

Context

Op 23 september 2004 ondertekenden de drie Belgische vakbonden het Charter Gender mainstreaming voor gelijkheid van vrouwen en mannen.

Hierin engageerden ze zich om enerzijds de gelijke kansen problematiek tussen vrouwen en mannen meer aandacht te schenken in hun dagelijkse werking en anderzijds iets te doen aan de ondervertegenwoordiging van vrouwen in eigen rangen.

De academische en sociaal-politieke wereld beschouwen het ondertekenen van dit charter als een mijlpaal in het emancipatieproces van de werkneemsters in België. De aanleiding tot deze actie van de drie vakbonden was een onderzoek van het IISA (interuniversitair instituut voor de studie van de arbeid) in samenwerking met de drie vakbonden.
In het onderzoek kwam nogmaals tot uiting dat vrouwen op de arbeidsmarkt vaak het onderspit moeten delven: mindere verloning, mindere kansen op promotie, ongewilde deeltijdse arbeid, mindere kansen in sterkere beroepssectoren, en nog veel meer.

Om gender mainstreaming ingang te doen vinden op de hele arbeidsmarkt is het belangrijk dat de vakbonden zelf de gelijkheid van vrouwen en mannen systematisch aan de orde stellen, met betrekking tot de eigen structuur en werking, maar ook met betrekking tot het beleid dat ze uittekenen.

Zo is het belangrijk dat in het sociaal overleg, op alle niveaus gaande van het bedrijf tot het interprofessioneel overleg, de genderproblematiek op de agenda geplaatst wordt. Even belangrijk is het dat de vrouwen zelf deelnemen aan deze sociale dialoog en kansen krijgen binnen de vakbonden om zich te laten horen.

Daarom dit zo belangrijke engagement in het Charter. Dit werk zal niet van vandaag op morgen resultaat opleveren, dagdagelijks moet aan dit opzet worden gewerkt.

Charter van de representatieve Belgische vakbonden ABVV - ACLVB - ACV

Gelijkheid van vrouwen en mannen in de vakbonden

Gender mainstreaming in de vakbonden

Brussel, 23 september 2004

Werkgroep :

Voorzitster
Dra. Saskia Ravesloot

Leden

  • Erica Bolzonello (ACV)
  • Annick Colpaert (ACLVB)
  • Ann Demoor (ACV)
  • Sabine Slegers (ACLVB)
  • Prof. em. Maxime Stroobant (IISA)
  • Gitta Vanpeborgh (ABVV)
  • Sandra Vercammen (ACV)

Uitgangspunten

De drie representatieve vakorganisaties in België, met name het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) en de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (ACLVB) beschouwen de gelijke behandeling van en de gelijke kansen voor werkneemsters en werknemers als een essentieel onderdeel van hun opdracht in hun streven naar een democratische maatschappij.

De vakbeweging speelt in het proces van maatschappelijke ontvoogding van werkneemsters en werknemers een cruciale rol en kan als drijvende kracht optreden zowel in het sociaal overleg met de werkgevers als in het proces van politieke besluitvorming.

De vakbeweging bevestigt haar rol van motor van de sociale vooruitgang en ziet gender mainstreaming als een bijkomend en noodzakelijk instrument voor de ontvoogding van werkneemsters en werknemers.

De vakbonden onderschrijven de hedendaagse benadering van dit probleem, met name gender mainstreaming en vatten deze op als de geïntegreerde aanpak ter bevordering van gelijke kansen tussen vrouwen en mannen.

De ondertekenende vakorganisaties aanvaarden samen met de Raad van Europa in het licht van het principe van gender mainstreaming, de procesmatige behandeling, de noodzaak van een (re)organisatie, de verbetering, de ontwikkeling en de evaluatie van politieke processen, zodat een dimensie van gendergelijkheid opgenomen wordt in alle beleidsdomeinen en alle stadia, door alle actoren, die normaal gezien betrokken zijn bij het vastleggen van het beleid en dit in een perspectief van sociale vooruitgang.

Uit wetenschappelijke studies blijkt dat, ondanks de belangrijke vorderingen die op het gebied van de gelijke behandeling en de gelijke kansen tussen vrouwen en mannen in de werksfeer werden gemaakt, er nog talrijke directe en indirecte discriminaties bestaan.

Het ontvoogdingsproces van vrouwen is een essentieel onderdeel van de ontvoogding van alle werknemers, vrouwen en mannen, maar is tegelijkertijd ook een van de voorwaarden voor het welslagen van deze ontvoogding.

De drie representatieve vakorganisaties zijn er zich van bewust dat zij, hoewel zij reeds aanpassingen hebben aangebracht aan hun structuur, aan hun manier van werken en actie voeren en aan hun aandacht voor de genderproblematiek, dit democratiserings-proces voortdurend moeten voortzetten met oog voor de algemene maatschappelijke context en voor een noodzakelijke mentaliteitswijziging.

De drie representatieve vakorganisaties zien in dat zij, om nog meer tegemoet te komen aan de rechtmatige verzuchtingen van al hun leden, deze aanpassingen wat betreft structuur, werking, actie en mentaliteit in overeenstemming dienen te brengen met de belangen en de noden van de werkneemsters en de werknemers en hiervoor de vrouwelijke militanten volwaardig dienen te laten deelnemen aan de syndicale besluitvorming.

De vakbeweging verhoogt hiermee haar sociale legitimiteit en kan daardoor met meer kracht de belangen van al haar leden en van de gehele werkende bevolking verdedigen op een ogenblik waarop de maatschappij fundamentele veranderingen ondergaat o.m. ingevolge de mondialisering van de economie en de individualisering van de samenleving.

De drie representatieve vakorganisaties beslissen plechtig en gezamenlijk - ten einde hun verklaring kracht bij te zetten - en onafgezien van hun ideologische en levensbeschouwelijke eigenheid - die zij erkennen en eerbiedigen - om de volgende verbintenissen aan te gaan in dit Charter.

Artikel 1

Het beleid van de interprofessionele organisaties, dat ernaar streeft de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te verwezenlijken in hun structuren en in hun werking op de gebieden waarvoor zij bevoegd zijn, wordt onverdroten voortgezet.

Hiertoe aanvaarden de organisaties het principe van de geïntegreerde aanpak, het zogenaamde gender mainstreamingsprincipe. De vakorganisaties wensen dit beleid door te voeren, zonder dat dit afbreuk zou doen aan hun autonomie en zonder dat de overheid maatregelen dient op te leggen.

Artikel 2

Om tot een passend beleid te komen zullen de interprofessionele organisaties een gestandaardiseerde, periodieke en transparante opvolging van de genderproblematiek organiseren op alle niveaus met vergelijkbare gegevens. Zij zullen hun diverse instanties sensibiliseren om deze cijfergegevens opgesplitst naar geslacht te verstrekken.

Artikel 3

De interprofessionele organisaties zullen enerzijds de beschikbare informatie omtrent de genderproblematiek systematisch bezorgen aan de beroepscentrales en/of de sectorale structuren om hen in staat te stellen hun genderbeleid te ontwikkelen.

Met het oog op een wisselwerking zullen anderzijds de interprofessionele organisaties er bij de beroepscentrales en/of de sectorale structuren op aandringen dat deze op hun beurt de nodige informatie verstrekken aan de ondertekenende organisaties. Dit stelt de interprofessionele organisaties in staat om een volledig overzicht te hebben omtrent de genderproblematiek waarop zij kunnen terugvallen om hun beleid te bepalen.

Artikel 4

Met het oog op een adequate opvolging - zowel sectoraal als intersectoraal - van de congresresoluties en van de beleidsbeslissingen, zullen de interprofessionele organisaties een specifieke instantie aanwijzen, die een statutaire opvolgings- en controlebevoegdheid kan worden toegewezen.

Artikel 5

Met het oog op een systematische en structurele aanpak van het genderbeleid zullen de bevoegde instanties zich uitdrukkelijk uitspreken over de principes die aan de basis liggen van het genderbeleid (bijvoorbeeld de aanvaarding van positieve acties, van het facultatief of verplichtend karakter van quota, evenredige kieslijsten).

Deze beleidsopties zullen hun plaats vinden in het algemeen syndicaal beleid, dat ervan uitgaat dat vrouwen en mannen zich gezamenlijk moeten inzetten voor de ontvoogding van alle werknemers.

Specifieke structuren voor vrouwen en aangepaste gemengde structuren zullen naast elkaar kunnen bestaan.

Artikel 6

Om de praktische werking van de syndicale instanties beter af te stemmen op de behoeften van zowel de vrouwen als de mannen nemen de ondertekenende organisaties de verplichting op zich om de knelpunten vast te stellen, de prioriteiten vast te leggen en een actieplan op te stellen.

Artikel 7

De ondertekenende organisaties zullen de werkgevers verzoeken om binnen de bedrijven inlichtingen te verschaffen die een volledig, duidelijk en reëel beeld geven van de juridische en feitelijke toestand van werkneemsters en werknemers.

De vakorganisaties zullen er bij de werkgevers op aandringen dat de wettelijk voorziene instrumenten gebruikt en geherwaardeerd worden (o.a. sociale balans, positief actieplan, jaarlijks gelijke kansenrapport).

In het licht van de toepassing van het principe van gender mainstreaming zullen de ondertekenende organisaties bij elk agendapunt de genderdimensie van het probleem in het sociaal overleg op alle niveaus behandelen.

Om dit mogelijk te maken zullen de vakorganisaties de nodige vorming en de praktische hulpmiddelen voorzien voor de onderhandelaars en de militanten.

Artikel 8

Rekening houdend met het feit dat de bewustmaking van de sociale actoren omtrent de genderproblematiek een essentiële factor is in het syndicaal beleid zullen de vakbonden dit thema als verplicht onderwerp ook in hun algemene vormingssessies en syndicale vorming opnemen. Specifieke gendervormingen zijn een noodzakelijke aanvulling.

Artikel 9

De vakbonden zullen de positieve inbreng van de vrouwenbeweging aanwenden zonder dat de autonomie van de vakbeweging in het gedrang mag worden gebracht.

Artikel 10

Ten einde hoger aangegane verbintenissen kracht bij te zetten zullen de organen voor opvolging en controle jaarlijks een vooruitgangsverslag opstellen over de vorderingen gemaakt betreffende de gelijkheid tussen werkneemsters en werknemers en betreffende de toepassing van gender mainstreaming. Het rapport zal onderzocht worden door de competente instanties en beschikbaar zijn voor alle leden.

Brussel, 23 september 2004

Luc CORTEBEECK Voorzitter ACV
Guy HAAZE Voorzitter ACLVB
André MORDANT Voorzitter ABVV

Nationale staking: “De echte test komt in de weken die zullen volgen"

30 januari 2012

Maar we kunnen nu al stellen dat de nationale staking een belangrijk doel bereikt heeft nl. de...

Leeftijdspiramide en collectieve ontslagen : maatregelen met perverse effecten !

25 januari 2012

Bedrijven die overgaan tot collectieve ontslagen zullen voortaan rekening moeten houden met de...

ACLVB voert actie bij BNP Paribas Fortis

19 januari 2012

De Liberale vakbond ACLVB zal de komende tijd een aantal acties houden bij BNP Paribas Fortis in...

Cat:

Staking van 30 januari aanstaande: onvermijdelijk

17 januari 2012

Het overleg over het onevenwichtig regeerakkoord komt slechts zeer traag op gang en lijkt weinig...

Koning Albertlaan 95 - 9000 GENT
Tel. 09-222.57.51
Fax 09-221.04.74
E-mail : aclvb@aclvb.be
ACLVB op Twitter : http://www.twitter.com/ACLVB
ACLVB op Google+ : +ACLVB

Taal: