Naar een progressieve dual income tax

Op deze pagina:

    Cijfers illustreren dat de 10% rijkste Belgen 43 à 44% van het nettovermogen bezitten, de 5% rijkste 30 à 31% en de 1% rijkste 12%. Bovendien valt het op dat het merendeel van financiële activa zoals aandelen geconcentreerd zit bij een beperkt deel van de bevolking, zo bezitten slechts 11% van de Belgen aandelen, 7,8% obligaties en kasbons en 21% beleggingsfondsen. Van het totale financieel vermogen van Belgische particulieren, maar liefst 1 250 miljard, bevindt slechts 30% zich op spaarrekeningen en zichtrekeningen. Deze gegevens tonen aan dat er nog wel wat ruimte is voor een betere en meer efficiënte herverdeling van inkomsten uit vermogen.

    In het kader van de zoektocht naar een rechtvaardiger en efficiënter fiscaal systeem krijgt een bepaald idee meer en meer aanhang onder economen en politici: de dual income tax. Het basisprincipe van een dergelijk belastingsysteem is dat er in de fiscaliteit slechts één onderscheid wordt gemaakt, namelijk tussen inkomens uit arbeid en inkomens uit vermogen. Arbeid wordt belast aan de progressieve tarieven zoals dat vandaag al het geval is, inkomens uit vermogen worden aan éénzelfde tarief belast, zonder allerhande uitzonderingsregimes en verschillende tarieven (in Noorwegen is het basistarief bijvoorbeeld 27%). Op die manier zouden ook meerwaarden uit aandelen en reële huurinkomsten degelijk belast worden, in tegenstelling tot vandaag.

    Het grote voordeel van een dergelijke taks is dat het systeem eenvoudig en vanuit economisch oogpunt ook neutraal is. Er worden immers geen bepaalde vormen van vermogens of investeringen fiscaal bevoordeeld t.o.v. andere. Verder is men ook zeker dat alle vormen van inkomens uit vermogen correct belast worden. Het grote nadeel is dat er geen enkele vorm van progressiviteit verwerkt zit in het vermogensluik. Iemand die 2 000 euro inkomsten uit vermogen haalt zou even zwaar belast worden als iemand die 20 000 euro inkomsten haalt. Daarom stellen wij een alternatief voorstel voor, namelijk een progressieve dual income tax. Met onze progressieve dual income tax wordt een driedubbele doelstelling voorop gesteld:

    1. de Belgische fiscaliteit rechtvaardiger maken;
    2. de lasten op arbeid langs werknemerszijde verlagen;
    3. het niveau van overheidsinvesteringen in België verhogen.

    Een progressieve dual income tax: de krijtlijnen

    Basisprincipes

    Ons voorstel herneemt het basisprincipe van de klassieke dual income tax en voegt daar nog één ander basisprincipe aan toe:

    Klassiek basisprincipe: inkomens uit arbeid en inkomens uit vermogen afzonderlijk belasten, met één systeem voor die uit arbeid en één systeem voor die uit vermogen.

    Bijkomend basisprincipe: ook bij de inkomens uit vermogen worden progressieve tarieven gehanteerd, maar minder hoge en uiteenlopende dan bij arbeid. Op die manier worden inkomsten uit arbeid en vermogen volgens hetzelfde principe, maar niet samen belast. De progressieve dual income tax zou vier doelstellingen vervullen waar in het actuele fiscaal kader niet aan voldaan wordt:

    1. Alle vormen van inkomens uit vermogen worden belast, dus ook inkomsten die vandaag onterecht niet of te weinig worden belast, zoals meerwaarden uit aandelen en reële huurinkomsten.
    2. De vermogensfiscaliteit wordt vanuit economisch oogpunt neutraal, aangezien alle vormen van inkomens op eenzelfde manier belast worden, waardoor investeerders zich niet meer zullen laten leiden door fiscale motieven.
    3. Het systeem is eenvoudig, duidelijk en transparant. Dit zorgt voor minder kosten om de belastingen te innen, draagt bij tot de financiële en economische stabiliteit en komt de fiscale rechtszekerheid ten goede.
    4. De verbreding van de belastbare basis, gecombineerd met eenvormige tarieven op inkomsten uit vermogen, zal leiden tot een stijging van de fiscale opbrengst zonder kapitaalvlucht te veroorzaken of een rem te zetten op de economische groei.

    Concrete uitwerking

    De bedoeling is om via het luik inkomens uit vermogen meerinkomsten te genereren en deze vervolgens te gebruiken om te sleutelen aan de belastingschijven in de actuele personenbelasting, opdat het Belgische fiscaal systeem evenwichtiger wordt en de belastingdruk op arbeid verlaagt.

    Worden opgenomen in het vermogensluik:

    • Alles wat vandaag reeds onder de roerende voorheffing (30% en lagere tarieven) valt: dividenden, inkomsten uit obligaties, inkomsten uit kasbons, …;
    • De inkomsten uit royalty’s en patenten;
    • Meerwaarden op de verkoop van aandelen, aandelenfondsen en obligatiefondsen;
    • Reële huurinkomsten;
    • Derivaten.

    Om het systeem niet onnodig complex te maken en ervoor te zorgen dat het op korte termijn uitvoerbaar is, worden enkel financiële activa belast. Er worden dan ook geen nieuwe vormen van meerwaardebelasting op de verkoop van huizen, antiek of andere materiële activa ingevoerd, hoewel de beperkte bestaande vormen wel zouden blijven bestaan.

    Ten slotte worden ook pensioenfondsen vrijgesteld van belasting. Gezien de verschillende pensioenmaatregelen die werden getroffen en de toenemende financiële noden voor oudere personen, is sparen via de tweede en derde pijler voor veel mensen een noodzakelijke aanvulling op hun wettelijk pensioen. Daarom wordt ervoor geopteerd om dit niet te belasten.

    Er wordt geopteerd voor vier schijven, waarbij het tarief hoger wordt naarmate het niveau van inkomsten uit vermogen toeneemt. Er is echter ook een lagere schijf dan het huidige tarief van 30%: 25% – 30% – 35% – 40%.

    Hierbij gelden twee uitzonderingen:

    • Voor intrestinkomsten uit spaarboekjes blijft het tarief van 15% gelden, opdat de gewone spaarder niet wordt getroffen wanneer de rente op termijn toeneemt.
    • Voor meerwaarden op de verkoop van aandelen van kleine ondernemingen geldt eveneens een apart tarief van 15%. De bedoeling hiervan is het lokale ondernemerschap niet teveel te belasten en kleinere zelfstandigen de kans te geven om hun eigen onderneming aan relatief gunstige voorwaarden te verkopen. Bovendien zijn kleine ondernemingen normaal gezien niet genoteerd op de beurs, waardoor er ook nauwelijks speculatie plaatsvindt met deze aandelen.

    De schijven zouden vastgelegd worden aan de hand van een dry run van twee jaar, waarbij mensen verplicht worden om alle inkomsten uit vermogens aan te geven in hun personenbelasting. Op basis hiervan zouden de grensbedragen van de verschillende tarieven worden vastgelegd, net als de algemene vrijstelling.

    • Opmerking 1: minwaarden bij verkoop van aandelen kunnen afgetrokken worden, zij het enkel van inkomsten in het vermogensluik en enkel voor het aanslagjaar in kwestie. Het onderscheid tussen inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen is immers absoluut en geldt in beide richtingen.
    • Opmerking 2: historische meerwaarden zouden niet belast worden. Dit is het meest eerlijke systeem en vermijdt ook grote administratieve lasten. Aangezien het de bedoeling zou zijn om eerst een dry run van twee jaar toe passen, zou er wel voor geopteerd worden om als startpunt het begin van de dry run (bij voorkeur 1 januari 2018) te nemen, zodat er wel al twee voorgaande jaren zouden meetellen bij de eigenlijke implementatie op 1 januari 2020.
    • Opmerking 3: de belasting zou worden geïnd analoog aan het stelsel van de bedrijfsvoorheffing, waarbij er een vast tarief van 30% zou moeten worden doorgestort aan de schatkist, waarna op het einde van de rit wordt berekend in welke schijven de belastingplichtige terecht komt en hoeveel de persoon in kwestie terugkrijgt of dient bij te betalen.
    • Opmerking 4: indien zou blijken dat er veel verschuivingen zouden plaatsvinden richting de levensverzekeringen (tak 21 & 23), kan ervoor geopteerd worden ome en doorkijkbelasting in te voeren die steeds directe de gerealiseerde meerwaarden en geïnde coupons belast aan de binnenkant van belegginsproducten.

    Verdeling van de schijven

    Hoewel de uiteindelijke grensbedragen niet op voorhand kunnen bepaald worden, kan men wel de gewenste verdeling en progressiviteit bepalen. Indien alle vormen van inkomens uit vermogen worden samengevoegd, stellen wij de volgende verdeling voorop:

    • Schijf 25%: schijf 0 –15% van de totale pot inkomsten uit vermogen
    • Schijf 30%: schijf 15 – 55% van de totale pot inkomsten uit vermogen
    • Schijf 35%: schijf 55 –70% van de totale pot inkomsten uit vermogen
    • Schijf 40%: schijf 70 –100% van de totale pot inkomsten uit vermogen

    De redenering is als volgt: 43 à 44% van het nettovermogen van de Belgen is in handen van de 10% rijksten. Daarbij is 30 à 31% van het vermogen in handen van de 5% rijksten. Ervan uitgaande dat bij inkomsten uit vermogen de verhouding minstens even scheef is (aangezien vastgoed hierbij minder doorweegt zal die zelfs nog schever zijn), impliceert dit dat ± 30% van de inkomsten aan een tarief van 40% moeten belast worden en ± 15% (44% − 30%) aan een tarief van 35%. Op die manier worden enkel de 45% bovenste inkomsten uit vermogens aan een hoger tarief van vandaag belast, hierbij worden enkel de 10% rijkste Belgen getroffen, die bovendien voor hun eerste schijven nog van een lager tarief genieten. De iets minder bedeelden kunnen genieten van een lager tarief van 25%, terwijl de grootste schijf die van 30% is, het huidige tarief in de roerende voorheffing.

    Concreet zouden de schijven vastgelegd worden aan de hand van een dry run van twee jaar. Tijdens deze testperiode kan geanalyseerd wat de mogelijkheden zijn en waar er zich eventuele problemen kunnen manifesteren. De dry run heeft als doel om de betrokken maatregel bij invoering zo correct mogelijk te kunnen implementeren.

    Er wordt ook voor geopteerd om een algemene vrijstelling op een eerste schijf inkomsten uit vermogens van 940 euro in te voeren, analoog aan de toekomstige verlaagde vrijstelling op inkomsten uit spaarboekjes die door de regering Michel wordt ingevoerd. Op die manier zou het Belgische fiscaal systeem vanuit economisch oogpunt neutraler worden, en worden potentiële negatieve effecten op bijvoorbeeld de huurprijzen vermeden. Uit berekeningen blijkt dat de algemene vrijstelling 237 miljoen euro zou afromen van de verwachte opbrengsten van de maatregel.

    Inkomstenzijde

    Meeropbrengst progressieve roerende voorheffing

    Op basis van begrotingsnotificaties van oktober 2016 blijkt dat een verhoging van de roerende voorheffing met één procentpunt 142 miljoen euro oplevert op kruissnelheid. Gegeven het feit dat de schijf van 25% en de schijf van 35% beide betrekking hebben op 15% van de inkomsten uit vermogen die vandaag onder de roerende voorheffing vallen, zou dit elkaar compenseren.
    Bijgevolg zou enkel de schijf van 40% voor meerinkomsten zorgen: 10 x 142 x 30% = 426 miljoen euro.
     

    Meerwaarde uit aandelen en beleggingsfondsen

    Uit cijfers van de Nationale Bank blijkt dat de gemiddelde jaarlijkse waardestijging van aandelen en beleggingsfondsen, gecorrigeerd door het vastrentende deel beleggingsfondsen dat reeds belast werd ervan te trekken, 21,31 miljard euro bedroeg tussen 2011 en 2016. Enkel voor aandelen was dit 18,42 miljard euro.

    Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kleine ondernemingen die steeds niet-beursgenoteerd zijn, grote niet-beursgenoteerde en grote beursgenoteerde ondernemingen. Aandelen van niet-beursgenoteerde ondernemingen worden gemiddeld tien jaar aangehouden, aandelen van beursgenoteerde ondernemingen 1,5 jaar. De inkomsten nemen over een horizon van tien jaar stelselmatig toe, na tien jaar is de maatregel op kruissnelheid en kan er vanuit worden gegaan dat de gemiddelde jaarlijkse waardestijgingen bij benadering ook overeen komen met de jaarlijks gerealiseerde meerwaarden wat de niet-beursgenoteerde aandelen betreft. Bij de beursgenoteerde aandelen is dit reeds na 1,5 jaar, dus nog voor het systeem in werking zou treden.

    Kleine ondernemingen: jaarlijks gemiddeld 8,1 miljard euro waardestijgingen. De opbrengst van de meerwaardebelasting aan 15% is op kruissnelheid (na tien jaar) 1 215 miljoen euro.

    Grote ondernemingen: jaarlijks gemiddeld 9,421 miljard euro gerealiseerde meerwaarden bij niet-beursgenoteerde aandelen en gemiddeld 3,789 miljard euro bij beursgenoteerde aandelen. De opbrengst van de progressieve meerwaardebelasting op aandelen van grote ondernemingen op kruissnelheid is 4 353,31 miljoen euro.

    → samen 5 568,31 miljoen euro op kruissnelheid

    Onderstaande tabel geeft de jaarlijkse toename van de inkomsten uit de meerwaardebelasting weer:

    jaar grote ondernemingen kleine ondernemingen
    1 / /
    2 / /
    3 € 2 182,95 miljoen € 364,5 miljoen
    4 € 2 494,14 miljoen € 486 miljoen
    5 € 2 805 miljoen € 607,5 miljoen
    6 € 3 115,2 miljoen € 729 miljoen
    7 € 3 425,4 miljoen € 850,5 miljoen
    8 € 3 737,59 miljoen € 972 miljoen
    9 € 4 048,4 miljoen € 1 093,5 miljoen
    10 = kruissnelheid € 4 353,31 miljoen € 1 215 miljoen

    Reële huurinkomsten

    Gegeven het feit dat een belasting van 25% op reële huurinkomsten na aftrek van 40% op de lasten 283 miljoen euro zou opleveren volgens de Hoge Raad voor Financiën, zou een progressieve belasting van de reële huurinkomsten 373,56 miljoen euro moeten opleveren.

    Uitgavenzijde

    Verbreding van de inkomensschijf van 40%

    Achtergrondinfo

    De regering herziet de belastingtarieven in de personenbelasting. De aanpassing van de progressieve belastingtarieven in de personenbelasting loopt over een periode van vier jaar, te beginnen vanaf inkomstenjaar 2016 (AJ 2017).
     

    Inkomstenjaar 2019, aanslagjaar 2020 (geïndexeerd op basis van AJ 2017)

     

    Regering

    Ons voorstel

    25 %

    0,01 – 12.470

    0,01 – 12.470

    /

    /

    /

    40 %

    12.470 – 22.000

    12.470 – 30.000

    45 %

    22.000 – 38.080

    30.000 – 38.080

    50 %

    Schijf boven 38.080

    Schijf boven 38.080

    Aangezien werknemers in België heel snel in de schijf van 45% terechtkomen met hun belastbaar inkomen, is het opportuun om de inkomensschijf van 40% te verbreden. Wij kiezen er hier voor om de schijf van 40% in totaal met € 8 000 te verbreden tot € 30 000 vanaf het AJ 2020. Dit zou voor de betrokken personen een belastingvoordeel van maximaal € 400 per jaar opleveren.

    Percentage belastingplichtigen

    Aantal personen

    Maximaal bedrag in schijf van 45 %

    Maximaal voordeel na verbreding schijf 40 %

    Budgettaire kostprijs

    39,21 %

    2.441.630

    € 8000

    € 400

    € 976.652.000

    1,95 %

    121.428

    € 7000

    € 350

    € 42.499.800

    2,00 %

    124.541

    € 6000

    € 300

    € 37.632.300

    2,14 %

    133.259

    € 5000

    € 250

    € 33.314.750

    2,19 %

    136.373

    € 4000

    € 200

    € 27.274.600

    2,19 %

    136.373

    € 3000

    € 150

    € 20.455.950

    2,31 %

    143.845

    € 2000

    € 100

    € 14.384.500

    2,32 %

    144.468

    € 1000

    € 50

    € 7.223.400

    54,31 %

    3.381.916

    € 1000-8000

    € 50-€400

    € 1.159.437.300

    Opmerking: aangezien de meest recent beschikbare cijfers van de FOD Economie over de verdeling in inkomensklassen betrekking hebben op het inkomstenjaar 2014 en er tegen 2020 dus wel nog verschuivingen richting hogere klassen mogelijk zijn, voorzien wij voor deze maatregel een budget van € 1,359 miljard in totaal. Er is met andere woorden een buffer van € 200 miljoen voorzien.
     

    Verhoging van de belastingvrije som

    Achtergrondinfo

    De belastingvrije som gaat omhoog door de tax shift van de regering Michel en dit in verschillende stappen. De eerste stap is vanaf AJ 2019 waar de wijziging enkel betrekking heeft op de inkomensgrens. De tweede stap is vanaf AJ 2020 waarbij er nog slechts 1 belastingvrije som geldt (voor werkenden) ongeacht de hoogte van het inkomen. De belastingvrije som vanaf 2019 bedraagt € 8 785. In ons voorstel zouden wij de belastingvrije som optrekken tot het niveau van het leefloon in 2020. Dit zou neerkomen op € 10 829,18.

    De ACLVB opteert ervoor om de belastingvrije som vanaf AJ 2020 op te trekken naar € 10.829,18. Dat zal tegen 2020 de hoogte van het leefloon zijn. Hiermee zou een van de fundamentele pijnpunten van ons huidig fiscaal systeem worden aangepakt, namelijk het feit dat zelfs mensen met een leefloon belastingen dienen te betalen. En uiteraard zal dit ook voor iedereen die meer dan het leefloon verdient voor een hoger netto inkomen zorgen.

    Een verhoging van de belastingvrije som tot € 10.829,18 zou per belastingplichtige een maximaal voordeel van € 511,05 op jaarbasis opleveren.

    Volgens de Hoge Raad voor Financiën kost een verhoging van de belastingvrije som met € 2.818 (het bedrag dat nodig was om de belastingvrije som in AJ 2014 (€ 6.990) te verhogen van tot het toenmalige leefloon (€ 9.808,32) ) € 3,293 miljard. Dit impliceert dus dat een verhoging met € 1 van de belastingvrije som € 1,169 miljoen kost. Bijgevolg kan geconcludeerd worden dat een verhoging van de belastingvrije som met € 2.044,18 in 2020 in totaal € 2,389.65 miljard euro zou kosten.
     

    Verhoging niveau overheidsinvesteringen

    De overheidsinvesteringen in België bevinden zich met een niveau van 2,36 % van het BBP op een zeer laag niveau, een stuk onder het EU-gemiddelde van 2,7 % en veel lager dan buurlanden Nederland en Frankrijk die 3,5 % van het BBP investeren. Over de laatste 20 jaar beschouwd is Duitsland het enige land in de Europese Unie dat nog minder heeft geïnvesteerd. Nochtans zijn voldoende overheidsinvesteringen in transportinfrastructuur, duurzame energie, digitale netwerken, scholen en dergelijke meer essentieel voor het groeipotentieel van de economie op langere termijn, en genereren zij op korte termijn ook bijkomende economische groei dankzij het directe vraageffect.

    Daarom zal er in ons voorstel een budget van € 1,881 miljard euro worden vrijgemaakt wanneer de maatregelen op kruissnelheid zijn om het niveau van overheidsinvesteringen in België op te krikken. In de huidige waarde zou dit neerkomen op een verhoging met 0,44 % van het BBP. Dit moet ervoor zorgen dat de Belgische overheidsinvesteringen het Europese gemiddelde licht overstijgen tot 2,8 % BBP, wat toch het absolute minimum is gezien de vele uitdagingen.

    Aangezien het merendeel van de overheidsinvesteringen geconcentreerd zit bij de regionale en lokale overheden, zou ervoor geopteerd worden om een strategisch investeringscomité op te richten dat zou instaan voor het beheer, de toewijzing en verdeling van de bijkomende middelen aan de verschillende bevoegdheidsniveaus.

    De economische baten van een hoger niveau van overheidsinvesteringen zouden in het bijzonder ten goede komen aan de ondernemingen. Zij zouden kunnen profiteren van hogere productiviteitsniveaus, en bovendien wordt algemeen erkend dat in het huidige economische en budgettaire klimaat een verhoging van de overheidsinvesteringen leidt tot een crowding-in effect van private investeringen. Ondernemingen hebben toegang tot voldoende financiële middelen, maar missen vaak nog de juiste investeringsopportuniteiten.
     

    Buffer tegenvallende opbrengsten

    Voor de berekening van de opbrengsten van de progressieve dual income tax, hebben we ons gebaseerd op inkomsten die tijdens de afgelopen jaren werden gegenereerd. Hoewel hierbij met de nodige voorzichtigheid tewerk is gegaan, zijn we er ons van bewust dat belastinginkomsten steeds eens kunnen tegenvallen, in het bijzonder in tijden van economische laagconjunctuur.

    Aangezien we veel belang hechten aan het budgetneutraal karakter van dit voorstel, wordt ervoor geopteerd om een buffer tegen tegenvallende opbrengsten aan te leggen. Deze zal op kruissnelheid 500 miljoen euro bedragen, wat voldoende zou moeten zijn om te allen tijde de klassieke begrotingsinkomsten te vrijwaren. De buffer zal vanaf jaar 4 reeds 500 miljoen euro bedragen, na een overgangsjaar van 400 miljoen euro in jaar 3.
     

    Timing van de uitgaven

    Vanaf jaar 3 is de dry run afgelopen en kunnen dus belastingen worden geïnd. Aangezien het systeem pas na 10 jaar op kruissnelheid is en de inkomsten gestaag toenemen, dient er een gefaseerde invoering van de uitgaven toegepast te worden. Er wordt een prioriteit toegekend aan de verhoging van de belastingvrije som vanaf jaar 3. Vervolgens wordt over de jaren 4 tot 6 een stapsgewijze verbreding van de schijf van 40 % doorgevoerd, om vanaf jaar 7 ook de overheidsinvesteringen stelselmatig te laten toenemen.

    Kies een ACLVB-secretariaat bij u in de buurt voor de beste service ::
    Of zoek uw secretariaat via de kaart